Geschiedenis

Titulaire kardinalen 


Kard. Walter BRANDMÜLLER

 

Kard. Jan Pieter SCHOTTE
(29/4/1928 - 10/1/2005)

Beknopte geschiedenis van Sint-Juliaan
picture

Traditioneel situeert men het begin van het hospitium van Sint-Juliaan te Rome in de 8de eeuw, en in 1096 zou graaf Robrecht II van Vlaanderen op weg naar het Heilig Land de stichting bezocht hebben. Blijkbaar trokken de Germaanse volkeren reeds onmiddellijk na hun bekering naar de cultusplaatsen van de HH. Petrus en Paulus. Ter plaatse werden gauw gasthuizen ingericht, die dienden voor de opvang van pelgrims van het eigen volk. Zo lagen rond de Constantijnse basiliek van Sint-Pieter kleinere centra van de Saksen, de Longobarden, de Friezen en de Franken (het ook nog steeds bestaande Campo Santo dei Teutonici e Fiamminghi).

De eerste historische vermeldingen van een kapel van Sint-Juliaan dateren uit het begin van de 15e eeuw. In deze periode waren de pausen uiteindelijk naar Rome teruggekeerd, na de lange “ballingschap” in Avignon en het daaropvolgende voor de kerk onzalige schisma. De terugkeer van het pauselijk hof naar Rome betekende voor de stad het begin van een nieuwe bloei. In het spoor van de Romeinse Curie stroomden opnieuw vele vreemdelingen toe, en al snel ontwikkelden zich de vreemde “naties”, en werd Rome meer en meer de communis patria, het vaderland van allen. De Nederlanden bleven hierin zeker niet achter en creëerden een eigen infrastructuur om de grote toeloop van mensen uit onze gewesten op te vangen. Uit deze periode stamt één van de oudste geschriften over Sint-Juliaan, dat - in kopie - bewaard bleef : de statuten en reglementen van het gasthuis voor pelgrims van 1444.

Vanaf 1624 werd nauwkeurig een pelgrimsregister bijgehouden, dat ons een idee geeft van de belangrijke stroom Zuidnederlandse bedevaarders naar de eeuwige stad. Van 1624 tot 1790 werd aan 21.213 reizigers, voornamelijk uit Vlaanderen, maar ook uit Artesië, Namen, Henegouwen, Kamerijk en Doornik onderdak verleend. Uit de rekeningen van Sint-Juliaan valt af te lezen hoe de stichting tussenkwam voor overvallen edellieden, mensen die doodziek van de pauselijke galeien stapten, zeelieden die met hun hele familie in de handen van Noordafrikaanse piraten waren gevallen en soms tegen aanzienlijke sommen moesten worden vrijgekocht.

Begin 16e eeuw gaf de herontdekte cultuur van de klassieke oudheid aan Rome een bijkomende aantrekkingskracht. Onder invloed van de prachtlievende Renaissancepausen werd de stad een centrum van cultuur, een aantrekkingspool voor schilders, beeldhouwers, musici en geleerden. Verzekerd van de steun van stichtingen zoals San Giuliano, werd Rome vanaf de 15de tot de 17de eeuw een ware immigratieplaats voor Vlamingen. Schoenmakers, timmerlui, edelsmeden, glazeniers, kleermakers en soldaten vonden in Rome hun tweede vaderland. De rijke Vlamingen in Rome, de hoge geestelijken, kooplieden, succesrijke ambachtslieden en kunstenaars zetelden in de beheerraad van het hospitium en waren tevens lid van de hieraan verbonden broederschap van Sint-Juliaan. Deze broederschap had zowel een religieuze als een materiële dimensie. De leden stonden elkaar en hun behoeftige landgenoten bij in blijde en droevige gebeurtenissen. De broederschap had heel wat prestige verworven in 1536 door de inschrijving van de keizer uit Gent, Karel V.

Hoewel de beheerraad statutair slechts uit Vlamingen uit het graafschap Vlaanderen mocht bestaan, namen geleidelijk ook mensen uit andere delen van de Zuidelijke Nederlanden (Antwerpen, Doornik, Binche...) aan de werking van Sint-Juliaan deel. Uit alle delen van de Nederlanden ontvingen de bestuurders van het hospitium, de provisoren, geldelijke steun. Maar San Giuliano was meer dan een centrum voor materiële ondersteuning. De kleine kerk fungeerde ook als ontmoetingsplaats waar de Zuidnederlanders die in Rome woonden elkaar in vriendschap konden vinden.

De kerk van San Giuliano bevorderde dus de contacten tussen de in Rome levende Vlamingen. Kooplieden van Vlaamse afkomst bijvoorbeeld traden als beschermheer voor landgenoten op. Zo liet de bankier Pieter de Visscher uit Oudenaarde (in Italië al vlug Pietro Pescatore genoemd !), aktief in het bestuur van Sint-Juliaan tussen 1618 en 1643, zijn buitengoed in Frascati door de Antwerpenaar Cornelis Schut met fresco’s versieren. Befaamde kunstenaars als Jan Miel uit Beveren, in de 17e eeuw één van de invoerders van de genretafereeltjes te Rome, of Louis Cousin, alias Luigi Primo il Gentile uit Brussel, maakten deel uit van de beheerraad van Sint-Juliaan.

De huidige zetel van de Stichting, Via del Sudario, werd in 1681-1682 grondig verbouwd en kreeg toen grotendeels zijn huidige aanblik. De kerk kreeg haar octogonale ovaalvorm van het begin van de 18de eeuw. De gelijkenis met bijvoorbeeld, San Andrea al Quirinale, de kerk ontworpen door Bernini, kan niemand ontgaan. Voor het nieuwe grondplan en de uitvoering ervan, was Antonio Maria Borioni (Rome ? - 1727) verantwoordelijk, hierin bijgestaan door zijn broer Asdrubale Borioni. Veruit de belangrijkste maecenas van de stichting was een apotheker uit Ieper, Nicolaas van Haringhen, die eind 17e eeuw te Rome werkzaam was en San Giuliano tot zijn universele erfgenaam maakte. In 1695 gaf hij opdracht aan zijn vriend Theodoor Helmbreker uit Haarlem het huidige hoofdaltaarstuk te schilderen, en met de gelden van zijn nalatenschap werd ook in de 18e eeuw de kerk nog verder gedecoreerd.

De meeste kunstwerken die nu nog in de kerk te zien zijn, dateren uit de vroege 18de eeuw. Het centraal medaillon van het gewelf stelt de apotheose van Sint-Juliaan voor. Het fresco werd in 1717 geschilderd door de Engelsman William Kent, later beter bekend als schepper van de Engelse tuin en hofarchitect van de Engelse koning. Het medaillon is omringd door vier allegorische figuren die het graafschap Vlaanderen, Brugge en het Brugse Vrije, Gent en Ieper voorstellen. De schilden van deze laatste vier omringen ook het medaillon en sieren de voorgevel van de kerk onder het opschrift: ECCLESIA S. GIULIANI HOSPITALIS FLANDRIAE. Nog in 1743 schilderde de Brusselaar Maximiliaan Dhaese het doek boven één van de zijaltaren, voorstellend de apostelen Petrus en Paulus. Beeldhouwers als Pieter Verschaffelt uit Gent (schepper van de engel die de Engelenburcht bekroont) of Charles-François van Poucke uit Diksmuide waren nog lid van de stichting rond het midden van de 18e eeuw.

De oude organisatie van San Giuliano verdween met de Franse controle over de stichting tussen 1798 en 1814. De kerk kwam daarna officieel aan het Koninkrijk der Nederlanden, en uiteindelijk aan België. Nu is onze dynastie de beschermster van de koninklijke titel waarmee Maria-Theresia, keizerin-koningin van Hongarije en Bohemen en aartshertogin van Oostenrijk, de kerk vereerde. Het patrimonium van de stichting bestaat uit drie grote palazzi (appartementsgebouwen) uit de 18e-19e eeuw. Zij beheert deze goederen uitsluitend met de inkomsten van huurgelden (35 huurders), en geniet momenteel geen enkele overheidssteun. Het doel van de stichting blijft zoals in de oude statuten : beschikbaar zijn voor bedevaarders - landgenoten die te Rome verblijven of de Eeuwige Stad bezoeken. Sint-Juliaan biedt ook gastvrijheid aan de Fondation Darchis. De Rector van Sint-Juliaan is overigens afgevaardigd-beheerder van de Waalse Fondation Lambert Darchis.

Op 11 november worden in San Giuliano de doden van beide wereldoorlogen herdacht en op 15 november wordt het feest van de Koning gevierd. Van oktober tot juni is er op zondag om 10u30 Eucharistie. Op het Consistorie van 26 november 1994 werd Jan Schotte, Scheutist, tot eerste kardinaal-diaken van Sint-Juliaan benoemd. Op 18 december 1994 werd in Beveren-Leie de kring “Vrienden van Sint-Juliaan” opgericht. 

P. Hugo Vanermen, mSC., Rector


Koninklijke Belgische Kerk en Stichting Sint-Juliaan-der-Vlamingen
Via del Sudario 40, I-00186 Roma
Tel.: 00-39-6-687.25.50 - Fax: 00-39-6-687.38.54 

Steun op naam van H. Vanermen met vermelding “Sint-Juliaan” : 230-0019671-97 GB-Heverlee.
Bibliografie: 1000 jaar San Giuliano dei Fiamminghi, Stichting Kunstboek, Brugge, 1996.